"Rintje ten doop gepresenteert door de gr. moeder van moederszijde genaamd Jetse ....., zijnde lidmaat in de gemeente Jesuitten? te Parrega. De vader gevlugt, hebbende op een moorddadige wijze met een mes een dodelijke wonde gegeven in de maand Jan 1755 aan eenen Teunis Eeltjens, Hospes in de Herberg genaemd "De Kat".

Geertje op 13 mei 1763 (dossier 2967) en 21 maart 1765 (dossier 3052) door het Hof van Friesland veroordeeld "te sitten op water en brood de tijd van veertien dagen". Vlgs dossier 2967had Geertje na de verdwijning van haar man in 1755 een relatie aangekonnopt met Ate Ydes. Uit deze relatie werd op 13 december 1762 te Arum een dochtertje geboren (naam niet gevonden). Een huwelijk met Ate was niet mogelijk omdat er van het overlijden van Gerard geen bewijs kon worden overlegd. De volgende gegevens worden medegedeeld:

- Gerardus was ten tijde van zijn huwelijk in 1751 van beroep arbeider te Arum

- Gerardus heeft op 17 januari 1755 de herbergier van "De Grauwe Kat" onder Arum een gevaarlijke wonde door zijn mes toegebracht.

- (Uit het grootboek van het schip Sparenrijk volgens verklaring van de Bewindhebberen der Oostindische Compagnie:) Gerardus heeft de volgende morgen de vlucht genomen met het compagnieschip "Sparenrijse" Op 6 augustus 1756 heeft hij de dienst van de Compagnie verlaten en is overgelopen naar de Pruisen. Op het Oostindisch Huis was hij bekend als: Gerardus Teems van Rinseveen of liever om wel te noemen 't Reensche ander Rhenenscheveen [Veenendaal, rw] bij Uitrecht gelegen, zijnde de geboorteplaats van Gerardus. Zijn broer Leendert wordt verhoord en verklaard geen bericht van zijn broer ontvangen te hebben "als alleen dat hij eens hadde gehoord van een man woonachtig te Harlingen Gerlandt Pier wordende genaamd dat die hem in de Westindien hadde gesien en gesproken, dog was sulks van sijn gedagte wel een jaar a twee geleden"

In 1764 overleed Ate Ydes. Geertje, nu wonende tot Tjerkwerd had "sig wederom door ene Bauke Jan, zijnde een matroos met een been laten beswangeren" OP 6 februari 1765 kreeg zij een zoon (naam niet gevonden). Geertje "consenteerde waar te zijn dat zij in die jaare 1763 tot Almenum eeven buiten Harlingen heeft gewoond, dat indie zomer de stasgragt aldaar ais geslatten en in deselve heeft gewerkt een Geldersman Ysak.... zonder de toenaam te weeten die bevoorens met een buikscheepje heeft gevaren van de Coopman Folkert Peeters te Harlingen, welke persoon aan gedetineerde heeft verklaard, ,dat hij haar man Gerardus Tymons heel wel had gekend en int seekere wist hij overleden was in een sogenaemd Siek- of Pesthuijs op een uijtlandig plaats die hij toen al noemde, maar haar gedaagde ontgaan was." "Dat sij seer arm en verlegen zijnde met haare twee kinderen, in de zomer van den jare 1763 bij haar in slaapstee en in de kost heeft gekregen, eenen Bauke Jans van Harlingen, die een zeer been had het welk naderhand ook is afgezet geworden, dat zij toen als wilde, dat hij van haar soude afgaan metterwoon, en sig teffens addresseerde aan haare alimentationis, de kervoogden van Parrega, met versoek van onderhoud, dog sulx niet bekwam, en zij om niet van de honger te sterven, de opgedagte Bauke Jans bij haar verbleef, dat hij ook bij deselve is verbleeven tot soo lange zij daar woonde aan maij 1764 toe. Dat zij inmiddels dikmaals over een huwelijk hadden gesproken, en hoopten door verklaringe van 'smans overlijden nu te mogen trouwen, dat hier op met elkanderen, op sterk aanstaan van hem Bauke Jans, tot vleeschelijke gemeenschap zijn overgegaan, waardoor zij bevrugt en thans van een jonge soon verlost is sijnde Bauke Jans ook nog tweemaal bij haar te Tjerkwerd geweest en wenste alsnog met haar in de egt verbonden te mogen worden.